Advertentie

VB – vacaturebank – banners – Hardwerkende – klik hier! – 1456×180
Voor de harddenkende Rotterdammer
Vers Beton – Joep Brouwer – Werkbonus – 2020
Beeld door: beeld: Joep Brouwer

Normaal gesproken wordt elke euro die een bijstandsgerechtigde verdient met werk, verrekend met de uitkering. Maar sinds 1 april mogen Rotterdammers in de bijstand een deel van hun verdiensten houden, bovenop de uitkering. Bijstandsgerechtigden bouwen een zogenaamde Werkbonus op ter waarde van 12,5 procent van hun verdiende loon. De premie, die geen effect heeft op de uitkering of op toeslagen, wordt vervolgens twee keer per jaar uitgekeerd. Zo kunnen bijstandsgerechtigden tot € 1.266 per jaar bijverdienen (€ 105,50 per maand).

D66-raadslid Nadia Arsieni nam het initiatief voor de Werkbonus (door de gemeente ook wel Werkpremie genoemd). Mensen die vanuit de bijstand willen werken, lopen tegen te veel belemmeringen aan, vindt Arsieni. Niet alleen zien ze van hun verdiende loon niks terug op hun bankrekening vanwege de verrekening met de uitkering, ze kunnen er zelfs op achteruit gaan als ze in deeltijd werken, bijvoorbeeld doordat ze bepaalde toeslagen mislopen. De Werkbonus moet die hindernissen wegnemen en bijdragen aan ‘een Rotterdam waarin werken echt loont’.

De Werkbonus is nu nog een experiment met een looptijd van twee jaar. Als de Werkbonus de verwachtingen waarmaakt, kan de premie permanent worden ingevoerd. Daarvoor moeten drie vragen worden beantwoord: zorgt de Werkbonus ervoor dat mensen in de bijstand vaker in deeltijd gaan werken? Leidt dat vervolgens tot meer bijstandsgerechtigden die hun weg vinden naar voltijdwerk vinden, waardoor ze de uitkering niet meer nodig hebben? En, last but not least, heeft de Werkbonus een positieve invloed op het welzijn van de ontvangers?

Meer zekerheid, meer eigenwaarde

Dat die laatste vraag in het experiment wordt meegenomen, is opvallend. Wettelijk gezien is de premie alleen bedoeld om arbeidsparticipatie te verhogen, niet om andere maatschappelijke doelen te behalen. Toch is dat een goede keuze, vinden onderzoekers Sandra Bos en Judith Elshout van de Hogeschool van Amsterdam. Zij doen, samen met de gemeente Amsterdam en de Universiteit van Amsterdam, onderzoek naar de effecten van een experiment met eenzelfde soort premie, dat tussen 2018 en 2021 in Amsterdam plaatsvond. “Wij hebben gezegd: we willen niet alleen kijken naar arbeidsparticipatie, maar ook naar welzijn”, legt Sandra Bos uit. Ze merkten namelijk dat veel mensen in de bijstand eerst aan hun mentale of fysieke gezondheid moeten werken voordat ze zich bezig kunnen houden met participeren in de samenleving.

“We hebben ook onderzoek gedaan naar mensen die niet meededen aan het Amsterdams Experiment met de Bijstand. Die vertelden dat ze geen ruimte hadden om mee te doen”, zegt Bos. “Ze zijn aan het overleven, ze zitten op het randje. We weten: de arbeidsmarkt floreert niet meer zoals een paar jaar geleden. Het is gewoon heel moeilijk om iets op te bouwen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. We kunnen mensen in de bijstand wel richting de uitgang duwen, maar die deur staat op een kier, of is zelfs dicht. Dus we moeten ook naar welzijn kijken. Want als mensen zich goed voelen, zijn ze ook beter in staat om te participeren, betaald of onbetaald. En naar bestaanszekerheid, want mensen hebben een bepaalde rust nodig om de stap naar participatie te zetten.”

Ook wethouder in Amsterdam Rutger Groot Wassink (GroenLinks) kijkt op die manier naar de premie. “Ik denk dat dit vooral een middel is om het bestaansminimum verhogen”, zegt hij in een interview met EenVandaag. Van een bijstandsuitkering of het minimumloon kun je in Amsterdam niet meer leven, zegt Groot Wassink. In afwachting van verhoging van die bedragen – waarvoor hij afhankelijk is van de landelijke overheid – grijpt hij dus de bijverdienpremie aan om werkende Amsterdammers in de bijstand alvast iets meer ruimte te geven.

Uit het onderzoek van Elshout en Bos blijkt dat de Amsterdamse premie inderdaad voor meer financiële zekerheid zorgt. Ontvangers zetten het extraatje in als buffer om schuldproblemen te voorkomen. Ook geeft de premie de deelnemers een groter gevoel van eigenwaarde, omdat ze beloond worden voor hun werk. Kortom: meer waardering, meer rust en minder stress.

Deeltijdwerk als springplank

Toch staan de vragen over welzijn, gezondheid en bestaanszekerheid niet op de voorgrond tijdens het debat over het voorstel dat in september vorig jaar in de Rotterdamse gemeenteraad plaatsvond. Daar draait het vooral om de vraag of de premie het gewenste effect op de hoeveelheid bijstandsuitkeringen zal hebben. Die vraag is dan ook belangrijk voor de toekomst, omdat de financiering van de premie ervan afhangt. De gemeente kan immers besparen op de uitgaven aan bijstandsuitkeringen als er meer mensen gaan werken. De begroting van het experiment gaat ervan uit dat de kosten (3 miljoen) gecompenseerd worden door de besparingen (5 miljoen). Maar dat feest gaat alleen door als de premie mensen daadwerkelijk weet aan te sporen om (meer) te gaan werken.

Raadslid Jaap Rozema van de Partij voor de Dieren maakt zich over de financiering weinig zorgen. Hij leest voor uit Arsieni’s initiatiefvoorstel: “Wij denken dat werken positief is voor zelfvertrouwen, zelfontplooiing, sociale contacten en de gezondheid.” Rozema: “Dat is toch al genoeg? Wat is dan 3 miljoen per jaar? Ook als er niemand uitstroomt, is dat toch geweldig? Dat mag best wat kosten, wat mij betreft.”

“U bent 3 miljoen euro door de wc aan het spoelen”

Voor Ehsan Jami, op dat moment raadslid voor Leefbaar Rotterdam en de grootste tegenstander van de Werkbonus, zijn de kosten juist belangrijk. “U bent 3 miljoen euro door de wc aan het spoelen”, verwijt hij Arsieni. Volgens hem laten de resultaten uit vergelijkbare experimenten in andere gemeenten zien dat de premie niet werkt. Hij noemt de wetenschappelijke inzichten daarover ‘vernietigend’. Arsieni zelf zag in de andere experimenten juist ‘hele positieve uitkomsten’.

Dat Jami en Arsieni tot zulke tegengestelde inzichten over dezelfde kwestie kunnen komen, komt omdat er een aantal verschillende onderzoeken zijn gedaan met verschillende uitkomsten. Die experimenten vonden plaats in verschillende Nederlandse steden en hanteren verschillende soorten premies, waardoor het onmogelijk is om de resultaten één-op-één naar de Rotterdamse context te vertalen.

Toch zijn de resultaten van recente bijstandsexperimenten voorzichtig hoopvol te noemen. “De ruimte om in deeltijd meer bij te verdienen naast de uitkering levert in een aantal gemeenten positieve en significante effecten op participatie en verdient serieus aandacht”, schrijven onderzoekers naar aanleiding van experimenten in Deventer, Groningen, Nijmegen, Utrecht en Wageningen. “In alle gemeenten lijken de ruimere bijverdiensten, soms gecombineerd met andere interventies, tot meer kleine baantjes te leiden dan de andere interventies.” 

Door allerlei kanttekeningen (de experimenten duurden bijvoorbeeld maar twee jaar, wat volgens de onderzoekers te kort is om stevige conclusies te trekken) blijven de bevindingen met onzekerheid omgeven. Gelukkig kunnen wetenschappers over de vervolgvraag – stromen mensen met deeltijdwerk vaker door naar voltijdwerk – meer helderheid bieden. Een groot onderzoek van de Universiteit Utrecht toonde onlangs aan dat bijstandsontvangers die werken naast hun uitkering vier keer zoveel kans hebben om binnen vier jaar financieel onafhankelijk te worden. Het opdoen van werkervaring is voor veel bijstandsontvangers een belangrijke springplank naar volledige uitstroom uit de bijstand.

Liever werk dan inkomen

De vraag blijft: in hoeverre is de Werkbonus genoeg ‘prikkel’ om mensen in de bijstand aan het werk te krijgen? De premie bedraagt immers maar 12,5 procent van het verdiende loon – in tegenstelling tot de premies in Wageningen (25 procent), Amsterdam (30 procent) en Doetinchem en Aalten (50 procent). Dat betekent dat een achturige werkdag tegen minimumloon ongeveer een tientje oplevert. Natuurlijk is dat beter dan niets, maar is het genoeg om de stap naar werk aantrekkelijk te maken?

Initiatiefnemer Arsieni legt uit dat het percentage van 12,5 procent is gebaseerd op een andere regeling die al langer bestaat: de tijdelijke vrijlating van inkomsten die geldt voor maximaal zes maanden. Die vrijlating bedraagt 25 procent van het loon met een maximum van 220 euro per maand. Een bijstandsgerechtigde die begint met deeltijdwerk kan, door de vrijlating met de Werkbonus te combineren, de bijverdiensten in het eerste jaar verdubbelen, is Arsieni’s redenering.

Onderzoekers Judith Elshout en Sandra Bos suggereren dat geld op zichzelf misschien niet de belangrijkste prikkel is om aan het werk te gaan. Wat mensen in de bijstand het liefst willen, is meedoen in de maatschappij en daarvoor waardering en erkenning krijgen, leerden de onderzoekers van interviews met deelnemers aan het Amsterdamse experiment met de bijverdienpremie. Van thuiszitten word je maar depressief, vertelde één van de deelnemers. 

Niet het inkomen, maar het werk zelf is het doel. De meeste deelnemers hebben dan ook geen interesse in een onvoorwaardelijk basisinkomen – een uitkering waar je niks voor terug hoeft te doen. Dat had volgens hen niks te maken met echte maatschappelijke participatie.

Kortom: de keuze om te gaan werken vanuit de bijstand is meer een sociale afweging dan een economische. De ‘prikkel’ van de premie zit dan ook niet zozeer in het bedrag zelf, of in wat je ervan kunt kopen, maar meer in de symbolische waarde ervan. Bos: “Door de premie hebben deelnemers het gevoel dat ze iets verdienen, dat het loont. Daar zit het psychologische effect: ze worden eindelijk gezien als iemand die werkt.” Elshout: “Het loon bevestigt de wederkerigheid in de relatie tussen de werkgever en de werknemer. Je geeft wat en je krijgt wat. In die zin is de hoogte van het loon vooral belangrijk omdat het waardering uitdrukt voor je verdienstelijkheid in verhouding tot anderen.”

In hoeverre de premie mensen motiveert om te werken, vindt Elshout moeilijk om te zeggen. Er blijven immers tal van andere redenen waarom mensen niet werken, zoals slechte gezondheid, psychische problemen of tijdrovende zorgtaken. Maar omgekeerd kun je wel stellen dat de afwezigheid van beloning een drempel vormt, zegt Elshout: “Het is enorm demotiverend om te zien dat anderen wel betaald krijgen en jij niet.”

Inkomenspolitiek

In die zin is de Werkbonus niet zozeer een middel om bijstandsontvangers te motiveren om te werken, maar vooral een middel om de obstakels richting werk weg te nemen. De verrekening van werkinkomsten met de bijstandsuitkering blijkt namelijk een flink obstakel te zijn. Een recent onderzoek toont aan dat een groot deel van de werkende bijstandsgerechtigden er financieel op achteruit gaat wanneer ze de stap naar werk zetten, waardoor ze in sommige gevallen zelfs schulden ontwikkelen. Voor een aanzienlijke groep blijkt dat dan ook een reden te zijn om niet (meer) te willen werken. 

Een groot deel van de werkende bijstandsgerechtigden zou er nu financieel op achteruit gaat wanneer ze de stap naar werk zetten

GroenLinks-raadslid Lies Roest kaartte die problemen aan in het raadsdebat over de Werkbonus: “Mensen die parttime gaan werken en in de bijstand zitten, krijgen te maken met allerlei ingewikkelde verrekeningen, waardoor ze aan het einde van de maand niet weten hoeveel ze overhouden. En vaak is het bedrag minder dan als ze 100 procent bijstand zouden krijgen.” De Werkbonus kan het verlies aan inkomen compenseren zodat mensen in de bijstand er in ieder geval niet op achteruit gaan als ze gaan werken.

Daarin wordt wel een verschil duidelijk tussen de insteek van de Rotterdamse Werkbonus en de Amsterdamse bijverdienpremie. Waar wethouder Groot Wassink de premie expliciet als onderdeel van zijn inkomenspolitiek ziet – een manier om de bestaanszekerheid van de mensen aan de onderkant van de samenleving te versterken – is dat motief in Rotterdam minder aanwezig. Voor initiatiefnemer Nadia Arsieni en haar collega’s in de gemeenteraad moet het extraatje vooral het werken in deeltijd makkelijker maken. Maar het inkomen moet niet zo hoog worden dat de stap naar voltijdwerk niet meer loont.

De maximale bijverdiensten zijn in de hoofdstad dan ook ruim dubbel zo hoog (€ 219 euro per maand) als in Rotterdam (€ 105,50 per maand). “Als je het puur ziet als inkomensaanvulling, dan zou je ervoor kunnen kiezen om zo maximaal mogelijk inkomen aan te vullen”, legt Arsieni uit, “maar wij zien het ook als een re-integratie instrument. En dat werkt beter als er genoeg prikkel blijft bestaan om volledig aan het werk te gaan. Werken moet lonen.”

Geen pionnetjes

Elshout en Bos zijn daarom benieuwd naar het effect van de Werkbonus op de financiële positie van de ontvangers. De Amsterdamse deelnemers gebruikten de premie als buffer voor achterstallige betalingen of onvoorziene uitgaven. Bos: “Op een bijstandsuitkering is het echt een slok op een borrel. Daarmee kun je bijvoorbeeld een schuld afkopen of een koelkast vervangen.” Het is nog maar de vraag of dat met het lagere Rotterdamse bedrag ook mogelijk is. “Een kleinere premie wordt misschien meer als zakgeld gezien”, suggereert Bos.

Om dat soort effecten zichtbaar te maken, is het dus belangrijk om bij de monitoring van het experiment verder te kijken dan alleen uitstroom naar werk, herhalen Elshout en Bos. Uitstroomcijfers zeggen niet alles, en kunnen bovendien misleidend zijn. Elshout: “Als iemand een baan vindt, kun je een vinkje zetten. Maar vaak vallen mensen binnen een half jaar weer terug in de bijstand. Wat meten we dan precies?” Bovendien is volledige uitstroom naar werk niet voor iedereen haalbaar. “Een grote groep geeft aan dat ze door gezondheidsredenen niet meer kunnen werken”, zegt Bos. “Dus misschien moet je al blij zijn met het resultaat dat mensen meer parttime gaan werken.” Elshout: “Als mensen al maximaal werken, kun je ze misschien beter met rust laten.”

De onderzoekers geven Rotterdam nog een laatste tip mee: als de resultaten tegenvallen, zet het experiment dan niet al te roekeloos stop. Dat zou voor de ontvangers van de premie een grote tegenslag kunnen worden. Elshout: “Je wordt twee jaar lang gewaardeerd voor je werk, en dan stopt het opeens. Hoeveel motivatie houd je dan nog over? Je moet uitkijken dat je de deelnemers niet ziet als pionnetjes in een experiment. Het zijn wel mensen met eigenwaarde, daar moet je met respect mee omgaan.”

Laatste cijfers

Op dit moment ontvangen 1700 Rotterdammers de Werkbonus, meldt Nadia Arsieni. Dat is – afgezet tegen de meest recente bijstandscijfers – een kleine 4 procent van alle Rotterdammers in de bijstand (5 procent als je bijstandsontvangers boven de AOW-leeftijd niet meerekent). De huidige groep bestaat met name uit mensen die voor de invoering van de Werkbonus al werkten naast de uitkering. Het doel van de Werkbonus is dat uiteindelijk 8 procent van de Rotterdamse bijstandsontvangers inkomsten uit deeltijdwerk hebben.

Verder lezen?

Word supporter van Vers Beton! Vanaf 6 euro per maand maak jij financieel onafhankelijke journalistiek in Rotterdam mogelijk.

Nee, ik lees eerst het stuk verder

Adriaan

Adriaan de Jonge

Adriaan de Jonge (1994) is politiek filosoof en journalist. Groeide op langs de Rijn, reisde af naar het zuiden voor een studie in Maastricht en vertrok daarna met de stroom mee naar de enige echte Maasstad. Hij bijt zich graag vast in netelige maatschappelijke kwesties en is lichtelijk geobsedeerd met vraagstukken over werk, inkomen en ongelijkheid.

Profiel-pagina
Pasfoto

Joep Brouwer

Illustrator

Sommige dingen wil ik tekenen, maar soms ook niet en dan volstaat alleen de herinnering. De dingen zijn gesprekken, situaties, een handeling. De vertaling van ding naar tekening heb ik altijd prettig gevonden.

Profiel-pagina
Nog geen reacties

Om te reageren moet je ingelogd zijn. Inloggen kan je hier. Als je nog geen account hebt meld je nu aan als supporter of maak hier een gratis reageerdersaccount aan.